Schrijf een verhaal dat begint met: ‘Na vier jaar kwam hij eindelijk uit het keukenkastje.’

Na vier jaar kwam hij eindelijk uit het keukenkastje. Het was de enige plek geweest waar zijn vrouw hem toch niet zou zoeken. Als ze hem überhaupt al zou zoeken.

Zijn vrouw. Zijn vrouw was zo’n vrouw die huisprullaria bij de vleet kocht waarop met Franse krulletters stond wat het was. De imbiciliteit dat hij aan een tafel at waar ‘table’ op stond, was hem op die ene dag, nu vier jaar geleden, te veel geworden. Zijn vrouw, zoals altijd compleet opgaand in een potje Candycrush op haar smartphone met een roze hoesje met konijnenoren, toch weer niet stijlvast genoeg voor een hoesje met ‘le téléphone’ erop geschreven, keek niet op of om toen hij, na het naar binnen werken van zijn misschien wel zesduizendste bord smakeloze derrie, pontificaal zijn stoel – la chaise – naar achter schoof, opstond, met grote, betekenisvolle stappen naar het keukeneiland – île de cuisine – beende en met een harde knal het tekstloze keukenkastdeurtje achter zich dichtsmeet.

Zijn vrouw was zo’n vrouw die haar vriendinnen steevast ‘dinnetjes’ noemde, terwijl ze al zó lang voorbij de houdbaarheidsdatum waren dat het gebruik van verkleinwoorden niet meer op z’n plaats was. Zijn vrouw was zo’n vrouw die op kerstavond in de kerk vals zijig naar de pastoor knikte als hij sprak over naastenliefde, maar de rest van het jaar haar hobby vond in kwaad spreken over iedereen die haar dwars zat, tegenwerkte of gewoon mateloos ergerde. Zijn vrouw was zo’n vrouw die nooit nadacht over haar aandeel, nee, alles wat haar overkwam, kwam door een ander. Zijn vrouw was zo’n vrouw die het ontbrak aan de sierende eigenschap van bescheidenheid en zich daarom volhing met zoveel mogelijk sieraden. “More is more,” blèrde ze dan al telefonerend tegen het beste dinnetje van dat moment. Zijn vrouw was zo’n vrouw die haar telefoon vóór haar mond hield en alle gesprekken per speaker voerde, want meegenieten met zo veel verheffends wat zij met de dinnetjes besprak, mocht natuurlijk iedereen. Zijn vrouw was zo’n vrouw die van geliefde naar vijand was gedegradeerd.

Zijn vrouw. Als sinds de middelbare school waren ze een stel geweest. Een populair stel, nou vooruit, vooral zij dan. Wat ze in hem zag, had hij toen nooit goed begrepen. Dat hij zich sociaal beter wist te redden met computers, had haar niet gedeerd. “Jij bent mijn Bill Gates,” zei ze toen. Die verkapte liefdesverklaring had hij al lang niet meer gehoord. Misschien omdat de gehoopte miljarden vijfentwintig jaar later waren uitgebleven. Nee, slecht hadden ze het niet. Een modern huis in een nieuw deel van de stad. Twee auto’s voor de deur waarmee hij hun dochters trouw naar paardrijden, ritmisch gym, hockey en gitaarles chauffeurde. Maar toch groeide haar ontevredenheid. Elke dag weer een beetje meer. De kalverliefde had lang geleden plaatsgemaakt voor irritatie, vernedering en een totaal negeren van zijn aanwezigheid. Hun dochters hadden deze eigenschappen al gauw van hun moeder overgenomen. Steeds vaker keek hij naar die twee pubers en vroeg hij zich af of hij überhaupt had deelgenomen aan hun creatie. Twee kopieën van hun moeder. Qua uiterlijk en innerlijk. Nee, bondgenoten had hij niet thuis.

De krapte van het keukenkastje had hem de eerste jaren niet gestoord. Sterker nog, de nauwe afmetingen maakten eindelijk weer eens dat hij door iets werd opgemerkt. In wat voor bocht hij zichzelf ook vouwde, altijd stootte er wel een knie of elleboog ergens tegenaan. “Sorry,” mompelde hij dan beleefd. Zo was hij. Rekening houdend met alles en iedereen. Al vijfentwintig jaar wist zijn vrouw dit niet op waarde te schatten. Als een olifant in een porseleinkast denderde ze over zijn waardigheid heen. Wat hij wilt, vraagt, verlangt, wenst; het doet er niet toe. In tegenstelling tot haarzelf. ‘Me time’ noemt zijn vrouw haar ontelbaar vele uitjes met de dinnetjes, de kapperbezoeken, facials, shoppingsessies, etentjes. Nooit eens die vraag wat hij wilt. Wat hij denkt. Wat hij voor z’n dood hoopt te bereiken.

Dus daar, in het keukenkastje, nu vier jaar geleden, trok hij zich terug voor zijn eigen ‘me time’. Het met voorbedachten rade meegebrachte astronautenvoedsel smaakte hem, vergeleken met die inspiratieloze eenpansgerechten van zijn vrouw, opperbest. De ‘Wanneer repareer je nou eindelijk eens die lekkende kraan?’ bezorgde hem dagelijks genoeg water. En zo was het, met afwezigheid van de vrouw en twee zich voor hun vader kapot schamende pubers, aangenaam vertoeven in zijn zelfverkozen cel. De eerste drie jaar zeker. Maar langzamerhand begon de stilte en rust hem te benauwen.

‘Misschien lijd ik wel aan het Stockholmsyndroom,’ maalde het de laatste maanden voor zijn terugkeer door zijn hoofd. Het opmerkelijke gegeven dat je als gijzelnemer van je gijzelaar gaat houden, had hem altijd al gefascineerd. En dat die fascinatie voor dit psychologische verschijnsel voortkwam uit het feit dat dit waarschijnlijk ook voor hem opging, begon hem steeds meer verzoening met z’n lot te geven. Want wie anders dan zij had hij nou eigenlijk? Wie anders dan zij had hem überhaupt ooit opgemerkt? Goed, de laatste jaren had hij vooral als klusjesman gefunctioneerd, maar nodig was hij dus wél!

“Ah, ben je daar eindelijk weer?” klonk het snibbig vanaf de chaise longue die handig genoeg geen Franse vertaling meer behoefde. “Je moeder heeft zeker drie keer gebeld en doe nou eindelijk eens iets aan die schuurdeur die zo klemt. “Ik ook van jou,” verzuchtte hij met een dankbare glimlach. En zo slofte hij, enigszins stram, weer terug zijn leven in.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s